Tijd voor een nieuwe publieke voorziening voor beter eten

Tijd voor een publieke voorziening voor beter eten 


Floris Visser


Er is steeds meer aandacht voor gezonde en duurzame voeding, en toch slagen we er niet in om de hele maatschappij beter te laten eten. Niet alleen blijft het aantal mensen met leefstijl-gerelateerde ziekten stijgen, ook de gezondheidsverschillen nemen toe. Kort door de bocht: wie geld heeft en langer heeft kunnen studeren, eet gezonder dan iemand met minder geld die praktisch is opgeleid. Daar komt bij dat ongezond voedsel goedkoop, genormaliseerd, gesubsidieerd en overal aanwezig is, terwijl verse, gezonde en duurzame producten en horeca duurder en exclusiever zijn. Bovendien blijkt uit de nieuwste doorrekening van de Nederlandse klimaatdoelen van 2030 en 2050 dat die voorlopig onhaalbaar zijn, terwijl voedsel een prominente rol speelt als we die doelen willen halen. Die werkelijkheid verander je niet met leefstijlinterventies, informatiecampagnes, convenanten met de industrie en ruimere zorg achteraf. 

Hoe doe je dat dan wel? In dit essay betoog ik dat we een nieuwe invulling van het begrip voedselzekerheid nodig hebben, een die recht doet aan de sociale, ecologische en democratische vraagstukken van deze tijd. We moeten van ‘nooit meer honger’ – de voedselzekerheid van de twintigste eeuw – naar ‘gezond en duurzaam is de makkelijkste en betaalbaarste keuze’: de voedselzekerheid van de eenentwintigste eeuw. Om dat idee handen en voeten te geven kom ik met een concreet voorstel: de Volkskantine. Dat is een nieuwe publieke voorziening, vergelijkbaar met sociale woningbouw of openbaar vervoer, maar dan voor beter eten: een laagdrempelig Ikea-achtig buurtrestaurant , waarmee een uitgekiende formule wordt ingezet voor een maatschappelijk doel. Ik kom er hierna op terug hoe zo’n voorziening er ‘aan de voorkant’ uitziet en ‘aan de achterkant’ is georganiseerd. Maar laten we eerst kijken naar de stand van zaken en waar de problematiek zit. 

Ontwrichtende verhouding tussen publiek en privaat

In het huidige politiek-economische systeem is winst geprivatiseerd, worden risico’s afgewenteld op de samenleving en is verantwoordelijkheid geïndividualiseerd. Hoe zit dat precies? 

De winst die een bedrijf maakt, gaat naar particuliere aandeelhouders. Daarbij is een hoge winstmarge doorgaans het gevolg van lage bedrijfskosten. Die kosten verdwijnen echter niet, maar komen direct en indirect voor rekening van de samenleving. Stijgende verkoopcijfers in de frisdrankindustrie: risico voor de zorgverzekeraars, meer winst voor de aandeelhouder. Ontbossing en bodemuitputting door goedkope palmolieplantages: risico voor toekomstige generaties, meer winst voor de aandeelhouder. Een Nederlandse werknemer die weinig verdient kan een beroep doen op zorg- of huurtoeslag: risico voor de belastingbetaler, meer winst voor de aandeelhouder. Tegelijkertijd groeit het aantal fastfoodaanbieders, neemt het aantal winkels met groente en verse waren af, zijn vier van de vijf supermarktaanbiedingen ongezond, maar zijn de pijlen van het beleid hoofdzakelijk gericht op individuele gedragsverandering.

Zolang we dit systeem niet beschouwen als een samenhangend probleem maar het in aparte vraagstukken blijven opknippen, staan we de verbeeldingskracht in de weg die nodig is om alternatieven voor te stellen en te ontwikkelen. Bovendien: zo groot als de problemen zijn, zo groot zijn de belangen van gevestigde partijen die er baat hebben het huidige systeem in stand te houden. 

In plaats van het te hebben over obesitas, biodiversiteitsverlies en boze boeren alsof het opzichzelfstaande dossiers zijn, moeten we de gemeenschappelijke oorzaak zoeken in de ontwrichtende verhouding tussen private en publieke belangen. Een rechtvaardige én effectieve voedseltransitie is daarom in de eerste plaats een belangentransitie, die begint bij een andere verhouding tussen de partijen in het systeem: overheid, burger en markt. Dat betekent enerzijds dat we het op winstmaximalisatie gerichte commerciële voedselsysteem moet beteugelen, anderzijds dat we een nieuwe sociale infrastructuur moeten optuigen waarin het collectieve belang van burgers, boeren en planeet vooropstaat. 

Zo’n onderscheid tussen een markt voor commercieel en algemeen belang kennen we van andere basisvoorzieningen: volkshuisvesting naast de vrije sector, schoon kraanwater naast Spa Blauw, de bibliotheek naast de boekwinkel, de publieke naast de commerciële omroepen, openbaar vervoer naast Uber. En met het oog op de verstrekkende gevolgen van voeding voor de volksgezondheid, het klimaat en de sociale ongelijkheid zou je zeggen dat het inmiddels tijd is dat ook de gelijke toegang tot gezonde en duurzame voeding wordt geïnstitutionaliseerd. 

Zeker, wat publieke voorzieningen betreft is er de afgelopen decennia meer afgebroken dan opgebouwd: woningcorporaties werden geprivatiseerd, op bibliotheken werd bezuinigd, buslijnen werden opgeheven, het onderwijs werd gekort en er kwam marktwerking in de zorg. Het gaat hier echter om het principe van de publieke voorzieningen als manier om iets wat gezond en duurzaam is ook sociaal en inclusief te maken, waarvoor ik hier even afzie van de staat en de kwaliteit van de huidige voorzieningen.


Het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid als boosdoener

Waarom is een dergelijke voorziening op voedselgebied eigenlijk niet eerder van de grond gekomen? Daarvoor moeten we terug naar het ontstaan van het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid halverwege de twintigste eeuw, het eerste wapenfeit van de naoorlogse Europese samenwerking. 

De Tweede Wereldoorlog had langdurige voedseltekorten veroorzaakt. De in 1957 opgerichte Europese Economische Gemeenschap (de voorloper van de EU) maakte een nieuwe, gezamenlijke aanpak mogelijk zodat Europa te allen tijde kon beschikken over voldoende, betaalbaar voedsel. Oftewel: voedselzekerheid. De toenmalige Europese landbouwcommissaris Sicco Mansholt luidde met zijn befaamde uitspraak ‘nooit meer honger’ een tijdperk in waarin productie en expansie het uitgangspunt werden. Dat ging gepaard met intensieve landbouw, monocultuur, schaalvergroting en de opkomst van nieuwe industrieën voor kunstmest, bestrijdingsmiddelen en zaadveredeling. Prijsgaranties die de Europese overheid de boeren gaf leidden tot zo veel overschotten dat die onder de marktprijs werden afgezet in Afrika en Latijns-Amerika. Daarmee werd een afhankelijkheid gecreëerd die destructief was voor lokale markten en traditionele productiewijzen.

Hoewel de exportsubsidies deels werden afgebouwd, werd voedselzekerheid een commercieel succes. De producten die eruit voortkwamen bereiken inmiddels de hele wereld, van goedkoop vlees tot soja, mais en allerhande bewerkt voedsel. Voordat een gewas als rijst of tarwe op ons bord ligt, is het als commodity al talloze keren verhandeld door investeringsmaatschappijen en grote handelshuizen, waarvan de vier grootste – ADM, Bunge, Cargill en Louis Dreyfus – 80 procent van de voedselmarkt in handen hebben. Voedselzekerheid en kapitaalaccumulatie gaan hand in hand.

Voor de consument is het oorspronkelijke doel ‘nooit meer honger’ geslaagd. De schappen liggen vol, de producten zijn veilig – een incident daargelaten – en het kost allemaal steeds minder. Het antwoord op de vraag waarom een publieke voedselvoorziening is uitgebleven, is dat die simpelweg nooit nodig is geweest. Het op productie gerichte beleid, de financiële zekerheid voor Europese boeren, de exportsubsidies, de lucratieve handelsverdragen, de wereldmarkten: het zorgde allemaal jarenlang voor een voedselvoorziening die gerust sociaal kan worden genoemd, althans aan onze kant van de grens. 

Naar een alternatieve voedselvoorziening

De grote kanttekening is uiteraard dat de voedselzekerheid van de twintigste eeuw ten koste ging van het klimaat, de volksgezondheid en economieën elders. Er ontstaan dan ook steeds meer initiatieven waarmee wordt gebouwd aan een ander voedselsysteem, dat niet draait om goedkope bulk, maar is gebaseerd op regeneratieve landbouw, fatsoenlijke lonen en lokale producten. Die positieve waarden vertalen zich in een eerlijke prijs. Je betaalt meer, maar het voedsel is duurzaam en eerlijk geproduceerd. 

Vanuit productieperspectief is dat inderdaad eerlijk. Maar voor de consument onder aan de maatschappelijke ladder is de biologische boerenmarkt in de stad of een authentieke saladebar niet de makkelijkste of betaalbaarste keuze. Als we ervan uitgaan dat iedereen graag gezond zou wíllen zijn, is het probleem dat niet iedereen in dezelfde positie verkeert om daar gevolg aan te kúnnen geven. 

Dat afdoen als een gebrek aan wilskracht is ontkennen dat er een interactie bestaat tussen de vele factoren die onze levensloop bepalen maar waarop we zelf slechts beperkte invloed kunnen uitoefenen, zoals de wijk waar je opgroeit, de school waarop je zit, of je te maken hebt met discriminatie, of er iemand is die je kan leren koken, eenzaamheid. En zolang een doos met tien diepvriesfrikandellen goedkoper is dan een kilo boerenkool – als gevolg van politieke keuzes – dan is het pervers om de consument kwalijk te nemen dat hij met zijn portemonnee kiest. 

Twee dingen vallen hier op. Ten eerste laat de patstelling tussen een eerlijke prijs in het productieproces én een betaalbare prijs voor alle inkomensgroepen zich niet doorbreken door de huidige publiek-private markt. Want een bedrijf dat stuurt op private winst wil kosten drukken (gevolgen: negatieve externe effecten, lage prijs), een producent die stuurt op maatschappelijke winst wil kosten beprijzen (positieve externe effecten, hoge prijs), het Europese landbouwbeleid (publiek geld) bevordert onder aan de streep vooral verdienvermogen en machtsconcentratie en een consument die op prijzen stuurt moet ergens in dat spanningsveld idealen inleveren. 

Ten tweede zijn de meeste initiatieven in de voedseltransitie erop gericht de productie en de distributie te veranderen, maar gaan ze onvoldoende in op de vraag hoe de maatschappelijke en culturele transformatie van onze eetgewoonten kan worden gefaciliteerd en versneld, wie aan die transformatie kan meedoen en wie buiten de boot valt. 

Beide punten onderstrepen het belang van een nieuwe publieke voorziening waar je betaalbaar en eerlijk gezond en duurzaam kunt eten. De genoemde economische patstelling kan wel degelijk worden doorbroken wanneer publiek geld niet langer wordt aangewend om voldoende eten te waarborgen (oude voedselzekerheid), maar om te zorgen voor beter eten (nieuwe voedselzekerheid). 


Kosten verdisconteren

Het instrument dat aan die nieuwe voedselzekerheid ten grondslag ligt is zogeheten True Cost Accounting. Daarmee wordt niet alleen gekeken naar directe bedrijfskosten – zoals arbeid, kapitaal en grondstoffen – en hoe die zich vertalen in een consumentenprijs (bedrijfskosten plus bedrijfswinst), maar naar het geheel van negatieve en positieve effecten van voedsel op het milieu, de maatschappij en de volksgezondheid. In feite ‘internaliseer’ je zo de kosten die in het huidige systeem worden geëxternaliseerd, zoals duidelijk werd uit de inleiding. 

Het gevolg zou kunnen zijn dat een product met veel negatieve effecten (het is ongezond, heeft een hoge stikstofuitstoot en seizoenswerkers worden ervoor onderbetaald) niet langer kosteneffectief is wanneer die verborgen kosten worden verdisconteerd in de verkoopprijs. De doos frikandellen wordt dus duurder. 

Een volgende stap is ook de positieve effecten van een product te ‘verwaarden’. Als de grotere biodiversiteit, het bodemherstel, de hoge voedingswaarde en de lagere zorgkosten meewegen in de prijs van een kilo duurzaam geteelde boerenkool, dan legitimeert die maatschappelijke en ecologische meerwaarde een lagere prijs. Dat gebeurt niet door de boer uit te knijpen, maar door bijvoorbeeld het btw-tarief op groente en fruit te verlagen, duurzame productie te subsidiëren of minima een kortingspas te geven voor de Volkskantine. 

De voedseltransitie en rol van de overheid

Ook op een ander vlak is een publieke voorziening van betekenis. Er is een aantoonbare correlatie tussen een overheid die zich het publieke leven terugtrekt en het toegenomen wantrouwen van de burger. Uit onderzoek van onderzoeksjournalistiekcollectief Follow The Money en opinieweekblad De Groene Amsterdammer blijkt dat inwoners zich het meest van de overheid afkeren waar wordt gekort op collectieve voorzieningen en waar de fysieke afstand tot de school, de huisarts, de rechtbank, de bushalte en het zwembad het grootst is. 

Nu is de voedseltransitie bij uitstek een traject met vele gevoeligheden, en de uitdaging om iedereen aan boord te krijgen is groot. Die maatschappelijke mobilisatie vindt nu voornamelijk plaats via overlegtafels. Een voorbeeld is het interstedelijk overlegorgaan City Deal Voedsel op de Stedelijke Agenda, waarin beleidsmakers en ondernemers kennis uitwisselen en luisteren naar actieve buurtbewoners. Het moet nog blijken of het genoeg is om van de omslag naar beter eten een breed gedragen gemeenschappelijke inspanning te maken.

Zien we in de stad actieve buurtbewoners die zelf de overheid weten te vinden, op het platteland en in de buitenwijken bestaat steeds meer onvrede over de overheid die haar kerntaken verzuimt, maar wel vraagt om participatie. ‘Als gezag vanwege efficiency-redenen op grote afstand komt te staan, dan verlies je uiteindelijk ook gezag,’ stelt Hans Polman, commissaris van de koning in Zeeland. En dat terwijl gezag in de vorm van een aanwezige en sturende overheid noodzakelijk is vanwege de omvang van de problematiek. Zonder goed functionerende sociale infrastructuur, van jeugdzorg en betaalbare woningen tot een bushalte of een huisartsenpost in het dorp, gaan dagelijkse zorgen en dromen boven abstracte kwesties als een voedseltransitie. ‘Een stukje vlees? Dat laat ik me niet afpakken!’ ‘Vrijdag patatdag, dat is altijd zo geweest.’ 

Een nieuwe publieke voorziening voor beter eten zou niet alleen kunnen helpen de ecologische, sociale en democratische aspecten van de voedseltransitie samen te brengen en het handelingsvermogen van groepen mensen te vergroten, ze kan ook een investering zijn in de bekoelde relatie tussen burger en overheid. Of de overheid daarmee ook initiator en eigenaar moet zijn van zo’n publieke voorziening is de vraag, gezien het wantrouwen dat ze over zichzelf heeft afgeroepen. Interessanter zijn verschillende, recent opgekomen publiek-civiele samenwerkingsvormen als middel om zo’n publieke voorziening vorm te geven. Publiek-civiele samenwerking houdt in dat de overheid publieke diensten niet langer overhevelt naar private partijen (privatisering, marktwerking, verdienmodellen), maar de regie en het beheer neerlegt bij maatschappelijke organisaties, burgerraden, vakbonden, gemeenten of werknemers, waardoor een publieke dienst (opnieuw) in publieke handen komt. 

Er is geen eenduidig model, maar in het recente rapport De toekomst is publiek van Transnational Institute, een denktank voor progressieve politiek, worden ruim 1500 voorbeelden wereldwijd genoemd, van energiecoöperaties tot non-profit breedbandinternet, publieke apotheken en door werknemers geleide afvalbedrijven. Misschien is de manier waarop het Nederlandse publieke-omroepbestel is georganiseerd een interessant vertrekpunt, met verschillende omroepverenigingen die allemaal een eigen ledenbestand en doelgroep vertegenwoordigen. Zo zouden er ook verschillende maatschappelijke organisaties voor beter eten kunnen ontstaan, met ruimte voor verschillen tussen culinaire tradities, eetculturen, stad en platteland, maar altijd met gezamenlijke voorwaarden die het algemeen belang dienen. De overheid staat daarbij niet in de keuken, maar faciliteert die nieuwe sociale infrastructuur als wetgever, financier en toezichthouder. 


De Volkskantine

Laten we intussen eens kijken hoe de Volkskantine eruitziet. Anders dan de reguliere horeca (een soms duur avondje uit), fastfoodzaken (efficiënt maar ongezond) en sociale voedselprojecten (crisisbestrijding) is de Volkskantine erop gericht te zorgen voor een snelle, rechtvaardige, collectieve verandering van menu in wijken, rondom scholen, op stations, in dorpen en in binnensteden. Je eet er fantastische, duurzame en gezonde maaltijden voor snackbarprijzen. Zoals gerenommeerde architecten ooit de sociale woningbouw allure gaven en die aangrepen om ontwerpen te maken die vanwege hun functionaliteit, ruimtelijkheid, lichtinval en esthetiek vele jaren later vaak een monumentenstatus kregen, zo verbindt de Volkskantine zich met vooruitstrevende chefs die in de voedselzekerheid van de eenentwintigste eeuw een hedendaagse professionele opdracht zien. 

Niet alleen is de kwaliteit van het eten in de Volkskantine hoog, ze kopieert ook wat in drukbezochte concepten met een brede doelgroep drempelverlagend werkt en herijkt die voor een maatschappelijke missie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de slimme routing en het buffet van La Place, de vertrouwdheid van het theehuis op de hoek en het openbare karakter van de bibliotheek. Daarbij is de Volkskantine gericht op een maatschappelijk brede, cultureel diverse doelgroep en ligt de focus op ‘degenen achteraan als eersten’. Dus het eerst aan de beurt zijn gezinnen met een laag inkomen, mensen met gezondheidsproblemen en kinderen die opgroeien in armoede en pas daarna de foodies en de kapitaalkrachtige consument hoog op de maatschappelijke ladder. 

Dat maatschappelijke accent is eigen aan het principe van een publieke voorziening, maar het is even belangrijk om al die verschillende doelgroepen niet los van elkaar te zien. De Volkskantine is geen stigmatiserende plek voor armoedebestrijding, maar erop gericht beter eten door alle lagen van de bevolking heen mainstream te maken. Behalve laagdrempeligheid en betaalbaarheid is daarom ook voedselvaardigheid een speerpunt. Kennis van voedsel, voedsel proeven, bereiden, groeien, verwerken en eten, de verschillende keukens en gewoontes, de effecten op onze lichamelijke en geestelijke gesteldheid, begrijpen wat er op een etiket staat, de weerslag van voedsel op milieu en landschap: het zijn allemaal factoren die bijdragen aan onze voedselkeuzes, maar het ontbreekt aan een integraal programma om de voedselvaardigheid te vergroten. De Volkskantine zou daarin een centrale rol kunnen spelen, niet alleen door te voorzien in maaltijden, maar ook in culinaire kennisprogramma’s van cursussen tot diëtistenspreekuur. De vergelijking met een bibliotheek dringt zich op, die niet alleen boeken uitleent, maar mensen ook leert omgaan met de computer en taallessen organiseert. 


Plantaardig voedsel promoten

De Volkskantine als multifunctioneel centrum voor voedselzekerheid van de eenentwintigste eeuw, dus. En o ja, dat was ik bijna nog vergeten: al die fantastische gezonde en duurzame maaltijden zijn plantaardig. Want ook al is er genoeg onderzoek waaruit blijkt dat meer plantaardig voedsel eten een van de kortste routes is naar een gezonde en duurzame toekomst, plantaardig eten roept weerstand op. Het zou te duur, te elitair en niet lekker zijn. Ten dele bevestigen de supermarkt en de horeca dat beeld: de sojakipstukjes zijn duurder dan de kiloknallers en de meeste vegan koffietentjes trekken met hun haver-latte-macchiato’s vooral welgestelde hipsters. Al bij de macrobiotische beweging die in de jaren zeventig opkwam ging het vooral om ‘bewust’ eten. Of die maaltijd van bonen, granen en linzen ook lekker was, leek van ondergeschikt belang. 

Gelukkig zijn er inmiddels talloze voorbeelden die laten zien dat bewust en lekker heel goed samengaan. Met een paar muisklikken is voor de thuiskok een grote hoeveelheid plantaardige recepten, blogs en filmpjes te vinden en voor een nieuwe generatie ambitieuze restauranthouders vormen plantaardige ingrediënten steeds vaker de basis van de keuken. Maar hoe zorg je ervoor dat het narratief van plantaardig voedsel niet onbedoeld wordt gekaapt door een kosmopolitische, stedelijke voorhoede en daardoor vastloopt in een soort vegetarisch-veganistische gentrificatie?

Het antwoord: culinaire diversiteit. Er is meer dan vegaburgers en havermelk, want elke landskeuken kent traditionele én nieuwe plantaardige gerechten, die soms zo vanzelfsprekend zijn dat ze niet eens als zodanig worden benoemd, van Turkse çiğ köfte tot tempé en van Arabische mezze tot curry. In het onderzoeksproject Plantaardig in 100 talen kijk ik naar de perceptie van plantaardig voedsel vanuit verschillende culinaire tradities die in Nederland zijn geworteld en hoe die percepties zich verhouden tot het dominante beeld van plantaardig voedsel. 

Ook hier vallen twee dingen op. Allereerst lijkt het beeld van plantaardig voedsel in campagnes vaak uit te gaan van een bewuste, voedselvaardige, kapitaalkrachtige consument die alleen nog maar een zetje nodig heeft. Dat uit zich in instagrammable foodfoto’s, motiverende slogans en recepten die passen bij een succesvol leven. Niet alleen worden op die manier stereotypen bevestigd (plantaardig voedsel als iets voor succesvolle millennials), wat averechts werkt op anderen, het gaat ook voorbij aan de kennis en kunde van plantaardig voedsel die zich ontwikkelen in de marges van verschillende voedseltradities, van het ‘veganizen’ van harira tot de Afro-Caribische geschiedenis van natuurlijke voeding. 

Dé voedseltransitie bestaat niet, maar is in werkelijkheid een lappendeken van kleine veranderingsprocessen. Anders dan in andere transities, zoals die van de energiesector of de chemische industrie, is die ruimte voor identiteit en verschil betekenisvol en noodzakelijk. Een narratief over plantaardig voedsel moet daarom een afspiegeling zijn van wat zich buiten het zicht van marketeers afspeelt. Een publieke voorziening die is georganiseerd naar het voorbeeld van het omroepbestel, dus met verschillende omroepverenigingen, zou zo een drager kunnen worden voor een breed, culinair-divers narratief over plantaardig voedsel. 

Een publieke voorziening voor plantaardig voedsel, gefinancierd met belastinggeld? Zo gek is dat niet. Op de publieke omroep is ook geen porno te zien. Wat er achter de voordeur gebeurt is persoonlijk, maar in de publieke ruimte zou plantaardig voedsel vanzelfsprekend moeten zijn, niet als dichtgetimmerd primaat of voldongen oplossing, maar om handen en voeten te geven aan de door wetenschappers en beleidsmakers onderschreven noodzaak om als samenleving meer plantaardig te eten. Met een beetje nudgen gaat dat niet lukken. 

Ten tweede laat Plantaardig in 100 talen zien dat plantaardig voedsel framen als eiwittransitie – denk aan de reclames voor alternatieve zuivel en vleesvervangers – de noodzaak om meer plantaardig te eten reduceert tot nutriëntenvraagstuk. Dat vleesvervangers mensen anders kunnen laten eten is evident, maar op de achtergrond speelt ook iets anders. 

De eiwittransitie is booming. Nederland is in die markt vooral goed in het bewerken van grondstoffen, zoals erwten en algen. In de Achterhoek wordt sinds een paar jaar geëxperimenteerd met waterkroos, dat bijzonder eiwitrijk blijkt te zijn. Het zijn weer de aloude commodities die op de wereldmarkt kunnen worden verhandeld. Voor een handelshuis is een positie in pluimvee of een in waterkroos om het even, zolang het maar rendeert. 

Het laat zien dat de omslag naar beter eten bijna als vanzelfsprekend wordt beschouwd als een kans voor ondernemers, terwijl die omslag in de eerste plaats over kansengelijkheid zou moeten gaan. Onder de vlag van ‘impact’ worden gezondheid en duurzaamheid vermarkt tot een product dat de wereld beter maakt. Impact vervangt zo emancipatie als ideaal. Gaat emancipatie over algemene belangen en het terugdringen van ongelijkheden, impact is een manier om problemen op te knippen en commercieel lucratief te maken. Maar niet als is een gat in de markt, zeker de voedselzekerheid van de eenentwintigste eeuw niet.

 

Coalition of the willing

Het is leuk om een pleidooi op papier te zetten, maar de grote vraag is natuurlijk hoe je in praktijk brengt wat je graag wilt. Dat geldt eens te meer wanneer een groot deel van de problemen die je wilt oplossen onder de politieke verantwoordelijkheid vallen, terwijl we weten dat grote plannen als een soufflé inzakken door toedoen van conservatieve krachten, lobbykantoren en carrières. Zo had het Nationaal Preventieakkoord uit 2018 wél de ambitie maar niet de wettelijke slagkracht om 

Nederlanders gezonder te krijgen. Anno 2021 is slechts de helft van de doelstellingen uit het akkoord behaald. 

Een constructie waarin de voedselindustrie en brancheorganisaties door middel van overlegtafels kunnen meebeslissen over maatregelen en zich daar op basis van vrijblijvendheid aan committeren, is niet alleen ineffectief maar ook schadelijk. Het aantal kinderen van 4 tot 18 jaar met overgewicht daalde niet, zoals de bedoeling van het akkoord was, maar was in 2020, dus na twee jaar, met 1,5 procentpunt toegenomen tot 14,9 procent. Geconfronteerd met die cijfers ‘telt’ de verantwoordelijke demissionair staatssecretaris, Paul Blokhuis, ‘zijn zegeningen’, blijft hij ‘in gesprek’ en legt hij de bal neer bij een volgend kabinet. 

De politiek en het stemhokje zijn cruciaal, maar kan het ook door het midden? Waar de overheid beschikt over de middelen en het mandaat om verandering in te bedden, toont de geschiedenis aan dat vooruitgang vaak in gang werd gezet door het maatschappelijk middenveld. De eerste sociale woningbouw in de negentiende eeuw werd bijvoorbeeld geïnitieerd door groepen georganiseerde arbeiders en welgestelde burgers. De steden waren overbevolkt en huisjesmelkers plaatsten mensen tegen woekerprijzen in krotten. Zo kwam het dat in enkele decennia honderden kleine woningbouwverenigingen werden opgericht, een beweging die bijdroeg aan het ontstaan van de eerste Woningwet in 1901, bedoeld om een einde te maken aan de bouw van slechte woningen. De zelfgeorganiseerde verenigingen veranderden later in woningbouwcorporaties, die structureel door de overheid zouden worden ondersteund. 

Een vergelijkbare geschiedenis valt op te tekenen voor de komst van schoon drinkwater en riolering, ook in de negentiende eeuw. Artsen, ingenieurs en chemici namen het voortouw in de hervorming van de stadshygiëne, waarna de overheid die brede kijk op gezondheid zou vastleggen in nieuwe sociale wetten. Volledig onbaatzuchtig was dat engagement overigens niet, want de hygiëne in steden was eenvoudigweg zo schrijnend dat iedereen risico liep, ook de gegoede burgerij. Op dezelfde manier zijn de klimaatrisico’s van onze tijd zo groot dat het algemeen belang opnieuw samenvalt met het eigen belang. 

Een publieke voorziening voor beter eten begint daarom bij een hedendaagse coalition of the willing van partijen die gezond en duurzaam eten de makkelijkste en betaalbaarste keuze willen maken. En die zijn er steeds meer. Vorig jaar deden drie van de vier grootste zorgverzekeraars een oproep tot een wettelijke gezondheidsplicht, die verzekeraars, gemeenten en zorginstellingen verplicht om aan preventie te werken en gezondheid te bevorderen. Op dit moment bestaat er uitsluitend een zorgplicht die partijen verplicht zorg te bieden bij ziekte, wat leidt tot onnodig leed en hoge kosten. In de wetenschap dat 20 procent van de ‘ziektelast’ leefstijlgerelateerd is en dat er jaarlijks 100 miljard euro naar de curatieve zorg gaat, zou je denken dat er genoeg financiële middelen voor preventie voorhanden zijn. Sterker nog: in de doorrekening van het plan van de zorgverzekeraars blijkt dat een gezondheidsplicht de zorguitgaven verkleint. 

Voedselconsumenten in alle gelederen van de samenleving zijn bezig met betere voeding. Als ze een voorbeeld tot hun beschikking hebben van een manier waarop ze zich kunnen organiseren, bijvoorbeeld de eerste woningbouwvereniging of omroepvereniging, dan ontstaat er misschien zoiets als een ‘etersbond’ die zelf een Volkskantine begint. Er zijn maatschappelijk betrokken boeren en distributeurs. Meerdere organisaties houden zich bezig met True Cost Accounting. Bibliotheken en dorpshuizen kunnen als openbare gelegenheid de Volkskantine huisvesten. Ziekenhuizen zien voedsel steeds vaker als medicijn en onderzoeken mogelijkheden om patiënten pre- en postoperatief te begeleiden, ook buiten de muren van het ziekenhuis. 

Steeds meer lijken, tot slot, ook stadsbesturen zich te realiseren dat privatisering niet leidt tot de beloofde kostenbesparende effecten, maar ten koste gaat van de toegang en de kwaliteit van publieke diensten. De gemeente Amsterdam werkt daarom aan een plan om sociale huurwoningen op te kopen en in Zutphen werd onlangs de marktwerking in de huishoudelijke zorg afgeschaft: de gemeente werkt uitsluitend nog met drie sociaal gedreven zorgaanbieders. Rotterdam wil samen met Utrecht, Den Haag en Ede nieuwe wetgeving ontwikkelen om de opmars van fastfoodrestaurants in te dammen. 

Al die voorbeelden, ook al verkeren ze nog in een pril stadium en zijn ze lokaal, laten zien dat het algemeen belang aan momentum wint. Dat zorgt voor ruimte in het debat en het gesprek op straat om over de voedseltransitie te praten als een belangentransitie: daar begint de voedselzekerheid van de eenentwintigste eeuw. Ook maakt het de discussie over een andere voedselomgeving, over minder suiker, over reclameverboden, prijscorrecties, belastingen, klimaatdoelen, verantwoordelijkheid en wetgeving, een stuk gemakkelijker. 

Dit essay is onderdeel van de publicatie 'Foerageren of Fabrieksworst, in 2021 uitgegeven door uitgeverij Van Gennep. Een verkorte versie was te lezen in Vrij Nederland en in Vork Magazine.